Het was nog een beetje donker in Max’ kamer toen Moos besloot dat het tijd was om op te staan. Eerst een klein miauwtje. Toen een tikje met zijn poot tegen Max’ wang.
“Moos… nog even,” mompelde Max slaperig. Maar Moos gaf niet op. Nog een tik. En nog één. Max deed zijn ogen open. “Oké, oké! Ik ga al.” Hij ging rechtop zitten, wreef in zijn ogen en keek op de wekker. Toen sprong hij bijna uit bed. “Te laat!”
Hij schoot overeind, trok zijn trui aan, zocht zijn sokken — één onder het bed, één bij de stoel — en rende de trap af. Moos schoot voor hem uit richting keuken, alsof hij wilde zeggen: eten eerst, rennen later.
Max smeerde snel een boterham, at staand een hap en griste zijn tas mee.
Zijn computer?
Daar keek hij niet eens naar. Hij moest nú gaan.
Op school hing zijn jas half naast de kapstok toen de bel al ging. Max rende naar het lokaal en duwde de deur open. Even werd het stil. Niet helemaal stil… maar anders stil. Een paar kinderen keken op.
Dat groepje jongens achterin begon te fluisteren. Eén van hen grinnikte. Max voelde het meteen. Diezelfde spanning in zijn buik. Alsof iemand er zachtjes in kneep. Hij keek snel weg en liep naar zijn plek. “Goed dat je er bent, Max,” zei de juf vriendelijk. “We beginnen net.” Hij knikte.
Tijdens het werken voelde hij af en toe blikken. Hij wist niet eens zeker of het echt zo was, maar zo voelde het wel. Gelukkig zat Tjeppie naast hem. Tjeppie schoof een potlood zijn kant op. “Hier. Die van mij schrijft fijner.” Max glimlachte een beetje. “Thanks.”
In de pauze speelden ze samen. Gewoon. Rennen, lachen, doen alsof ze geheime agenten waren die een missie hadden.
Toen voelde de dag weer normaal.
Niet perfect. Maar goed genoeg.
Na school liep Max naar huis.
Zijn ouders waren nog aan het werk, dus het huis was stil toen hij binnenkwam.
Hij gooide zijn tas op de stoel, gaf Moos een aai en liep de trap op naar zijn kamer. Daar stond zijn computer. En ineens wist hij het weer.
Het bericht. ...Int. Hij ging zitten en startte het scherm op.
Zijn hart klopte een beetje sneller.
Het bureaublad verscheen… en meteen daarna dat knipperende icoontje weer.
Nieuw bericht: Van Int.
Max slikte en klikte.
Hetzelfde vreemde soort tekens als gisteren. Maar nu… leek er iets veranderd. Alsof er stukjes verschoven waren.
En daaronder stond opnieuw een zin. “Je hebt het gezien, toch?”
Max keek om zich heen, alsof iemand hem kon horen.
“Gezien… wat?” fluisterde hij.
Moos sprong op het bureau en ging naast het toetsenbord zitten. Er verscheen nog een regel.
Langzaam. Letter voor letter. “Begin bij wat jij kent.” Max fronste. Wat hij kent?
Zijn kamer?
Zijn computer?
Zijn games?
Hij keek naar het scherm. Naar de tekens. En toen viel hem iets op. Het leek… een beetje op een code uit een game. Niet precies hetzelfde, maar bijna. Zijn vingers gingen vanzelf naar het toetsenbord. Misschien was dit een puzzel. Een level. En als dat zo was…
Dan wist Max precies waar hij moest beginnen.
Hij drukte op de eerste toets.
En op dat moment veranderde het scherm.
De vreemde tekens stonden nu in rijen. Blokjes, streepjes, rondjes. Het leek op een soort geheim alfabet.
Max schoof dichter naar het bureau.
“Oké… denk na,” mompelde hij.
Begin bij wat jij kent. Dat had Int geschreven. Wat kende hij? Games. In veel games moest je symbolen omzetten. Tekens koppelen. Patronen zoeken. Hij pakte een blaadje en begon over te tekenen.
Streepje — rondje — driehoek.
Streepje — rondje — driehoek.
Het kwam steeds terug.
“Dus dit betekent iets hetzelfde…” fluisterde hij. Hij probeerde letters. Eerst lukraak. Toen gerichter. Na een paar minuten zag hij het. Het waren geen losse letters. Het waren woorden. En ineens sprong één woord eruit.
BOS
Zijn hart klopte sneller. Hij keek verder. Nog een woord.
CIRKEL
En daaronder, in kleinere tekens:
WAAR JE HANDEN HET WETEN
Max kreeg kippenvel. Hij voelde dat dit belangrijk was.
Het bos. Het oude bos.
Daar kwam hij vroeger vaak met zijn moeder. Toen zij nog niet zo druk was met werk. Ze wandelden daar. Zochten kastanjes. En soms liet hij Moos — toen nog een kitten — voorzichtig snuffelen aan de bladeren.
Er stonden daar enorme bomen. Dikke stammen waar je niet omheen kon kijken. En stenen. Niet zomaar stenen. Grote. Zware. Oude stenen. Ze stonden in een cirkel, alsof iemand ze daar heel lang geleden expres had neergezet. En in het midden lag één nog grotere steen.
Max was daar ooit op geklommen. Toen had hij iets geks gevoeld. Zijn handen waren warm geworden. Tintelend. Alsof er kleine kriebels door zijn vingers liepen. Alsof de steen leefde. Hij had het toen aan zijn moeder verteld, en die had gezegd: “Misschien is het een heel oude oersteen” “Oude stenen hebben veel meegemaakt.”
Max keek weer naar het scherm.
WAAR JE HANDEN HET WETEN
Zijn handen wisten het. Dat gevoel. Die steen in het midden.
Moos gaf een zacht miauwtje en tikte tegen het scherm, alsof hij het ook snapte.
“Je bedoelt… daarheen?” fluisterde Max.
Het icoontje knipperde één keer.
Toen verscheen er nog een regel.
ALLEEN JIJ
Max slikte. Alleen hij? Waarom hij? Hij was gewoon Max. Hij hield van gamen. Van zijn kat. Van rustige dingen. Niet van avonturen. Niet van reizen. Dat was Int zijn zus.
Maar toch…
Het bericht was aan hem gestuurd. Niet aan iemand anders. En diep vanbinnen voelde hij het weer. Datzelfde tintelende gevoel als toen bij de steen. Alsof iets zachtjes zei: ga kijken. Max stond op en liep naar het raam. In de verte zag hij de rand van het bos. Overdag liepen daar mensen met honden. In het weekend gezinnen. Kinderen die hutten bouwden.
Maar nu voelde het ineens anders. Hij keek naar zijn handen. “Wat weten jullie dan?” fluisterde hij. Beneden sloeg een autodeur dicht.
Zijn ouders kwamen thuis. Max keek nog één keer naar het scherm. Toen wist hij het. Morgen. Na school. Dan ging hij naar het bos. Naar de cirkel.
Naar de steen in het midden. En misschien…misschien zou hij daar ontdekken wat Int had gevonden.
