Hoofdstuk 1 — Het bericht op de computer
Max woonde in een gewoon huis in een gewone straat, in een wijk waar altijd wel iemand buiten was. Buurtkinderen op stepjes, een buurman die zijn auto waste, en ergens in de verte altijd een hond die blafte alsof hij iedereen kende.
Binnen was het ook gewoon. Een bank, een tafel met kruimels van het ontbijt en een kapstok waar altijd één jas scheef hing. Meestal die van Max.
Na school liep Max vaak meteen naar boven. Niet omdat hij geen zin had in beneden, maar omdat boven zijn kamer was. En in zijn kamer stond zijn computer.
En daar gebeurde het.
Daar kon hij racen, bouwen, ontdekken en winnen.
Reizen? Dat vond Max eigenlijk niet zo interessant. In games kon je ook overal naartoe. En daar hoefde je geen vliegtuig voor in, geen koffer te pakken en geen eten te proeven dat er raar uitzag.
Max hield van duidelijke dingen. Zijn favoriete game. Zijn eigen kamer. Zijn kat Moos, die altijd precies wist wanneer hij op schoot moest springen.
Moos zat nu ook op zijn bureau, met zijn staart langzaam heen en weer. Alsof hij alles in de gaten hield.
Beneden was het stil. Zijn ouders werkten allebei en kwamen pas later thuis. Dat was bijna elke dag zo.
En zijn zus Intty… die was er al helemaal niet.
Die reisde de wereld rond.
Landen met namen die Max soms niet eens kon uitspreken.
Plaatsen waar mensen anders praatten, anders aten en volgens Intty zelfs anders naar de sterren keken.
Max snapte niet waarom je dat zou willen. Hij had alles wat hij nodig had toch gewoon hier?
Behalve dan… Intty zelf.
Soms miste hij haar wel. Vooral als hij iets grappigs had meegemaakt op school. Of als iemand vervelend deed.
Pesten vond Max namelijk echt het stomste wat er bestond.
Hij wist hoe het voelde. Dat je buik een beetje samenkneep en dat je wenste dat je gewoon onzichtbaar was.
Daarom zei hij er altijd iets van als iemand werd buitengesloten. Niet hard of boos. Gewoon:
“Doe normaal.”
Dat hielp meestal al.
Moos sprong van het bureau en liep over het toetsenbord. Het scherm lichtte op.
“Hey, pas op,” mompelde Max.
Hij ging zitten, schoof zijn stoel dichterbij en startte zijn computer op. Het bekende geluid klonk. Rustig. Vertrouwd.
Tot er iets anders verscheen.
Geen game.
Geen filmpje. Geen bericht van school. Maar een klein knipperend icoontje in de hoek van het scherm. Max fronste. Hij klikte erop. Er opende een bericht. Afzender: Intty. Zijn hart maakte een sprongetje.
Ze stuurde niet vaak iets. Meestal alleen een foto van een berg, een markt of een bord eten waarvan Max niet wist wat het was.Maar dit… dit was anders. Er stond geen foto. Geen uitleg.
Alleen een paar vreemde tekens. Een soort code. En daaronder één zin: “Max, als jij dit leest, weet ik dat jij het kunt.” Max staarde naar het scherm. “Het kunt… wat?” fluisterde hij.
Moos miauwde zacht, alsof hij het ook niet begreep. Max klikte nog een keer. En nog een keer. Maar er gebeurde niets.
Was dit echt van Intty? Had ze hulp nodig? Of had ze iets bijzonders ontdekt?
Hij wist het niet. Maar één ding voelde hij wel. Dit was geen gewoon bericht. En ineens voelde zijn kamer… een beetje minder gewoon. Max bleef naar het scherm kijken. De vreemde tekens stonden er nog steeds. En die ene zin.
Als jij dit leest, weet ik dat jij het kunt.
Hij wilde net nog een keer klikken toen hij beneden een deur hoorde.
De voordeur.
Daarna stemmen. Bekend. Warm.
“Max! We zijn thuis!” riep zijn moeder.
En meteen daarna: “Handen wassen! We gaan eten!” zei zijn vader.
Moos sprong van het bureau en rende al richting trap. Alsof híj werd geroepen.
Max keek nog één keer naar het scherm.
Het bericht stond er. Echt.
Maar de geur van eten kwam al naar boven en zijn maag knorde.
Hij sloot de computer en liep naar beneden.
Tijdens het eten vertelde zijn vader over werk en zijn moeder over een collega die per ongeluk koffie over haar papieren had gegooid. Max lachte. Hij vertelde over een rekentoets en dat Moos bijna zijn boterham had gestolen vanmiddag.
Het voelde gewoon. Fijn gewoon.
En ergens tussen de aardappels, het lachen en het praten… vergat Max het bericht van Intty weer even.
Die avond lag Max in bed.
Het huis was stil.
Alleen het zachte gezoem van de koelkast beneden en het tikken van een tak tegen het raam.
Moos lag opgerold aan het voeteneind.
Max staarde naar het plafond.
En ineens dacht hij weer aan school.
Aan eerder die week.
Aan dat moment op het plein.
Een paar kinderen die lachten.
Niet met hem, maar om hem.
Hij wist niet eens meer precies waarom. Soms begon het gewoon.
Een grapje. Een duwtje. Een blik.
Max draaide zich op zijn zij.
Hij voelde het meteen
Zijn buik werd een beetje strak.
Alsof er een knoop in zat.
Zijn adem ging sneller, hoger in zijn borst. Korter.
Dat gebeurde vaker als hij eraan dacht.
Alsof zijn lichaam het nog precies wist, ook al probeerde hij er niet aan te denken.
Max legde een hand op zijn buik. Dat had hij geleerd. Niet wegduwen. Niet doen alsof het er niet is. Gewoon even voelen. Hij ademde langzaam in door zijn neus… en blies zacht uit door zijn mond. Nog een keer. In… en uit.
Hij stelde zich voor dat er een ballon in zijn buik zat.
Bij elke inademing werd die een beetje groter. Bij elke uitademing liep hij weer leeg. Zijn schouders zakten een stukje omlaag. De knoop in zijn buik werd zachter. Niet weg, maar rustiger. Hij dacht aan iets wat hij fijn vond.
Aan Moos die spinnend op zijn schoot lag. Aan een level in zijn game dat hij eindelijk had gehaald. Aan Intty die altijd zei: “Je bent sterker dan je denkt, Max.” Nog één rustige ademhaling. In… en uit. Zijn lichaam werd zwaar. Warm. Rustig. Zijn ogen vielen bijna dicht. (Klik hier om ook de ademhaling te doen die Max hielp met rustig worden)
Diep in de nacht was het huis helemaal stil. Zelfs de koelkast bromde niet meer. Max lag te slapen, zijn adem rustig en langzaam. Toen klonk er plots een zacht geluid van boven.
Pling.
Een klein, helder geluid. Van zijn computer.
Moos tilde zijn kop op. Zijn oren draaiden naar het bureau. Op het scherm, in de donkere kamer, lichtte opnieuw een bericht op: van Intty.
